4. Techniek Tuinbaan Esker. 

De wissel wordt als eerste aangepakt.

De uitleg van de decoders staat bij 'Digitaal Lenz techn.'.

De eerste stap in de bouw is het storingsvrijer maken van de wissels, met name de stroomtoevoer naar de wisseltongen. Bij een buitenbaan komt het geregeld voor dat de lok op de wisseltong blijft staan. Na het opschuren van de contactovergangen reed de trein er dan wel weer een poosje goed overheen, maar je wilt toch dat dit altijd goed gaat. Om het ongewilde stoppen te voorkomen worden draadjes aan de wisseltongen gesoldeerd en die draadjes worden op de rail of de voedingsleiding naar de rail aangesloten. Let wel dat de juiste wisseltong aan de juiste railstaaf verbonden wordt.

Afbeelding 1:

De onderkant van een LGB wissel. Links zijn de contactstrippen van de stroomvoorziening naar alle rails weergegeven. De beide wisseltongen zijn met de middelste twee schroeven vast geschroefd aan de biels.

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 2:

De draadjes zijn aan de onderkant van de rail gesoldeerd. Dit is een lastig klusje, het tin blijft nauwelijks plakken. Hiervoor is een 100W soldeerpistool aangeschaft om voldoend warmte in het materiaal te krijgen (en nog blijft het lastig).

De oppervlakte moet eerst goed geschuurd worden en daarna wordt het geschuurde met S39 ingesmeerd. Vervolgens met de soldeerbout warm stoken en tin er bij houden. Dit vloeit niet lekker uit. Je verneemt wel als het tin vast gaat zitten, zo niet dan pak je het tin er zo weer af.

Na het vertinnen de vertinde draad op solderen en af laten koelen. Als je er aan trekt moet de draad blijven zitten, anders opnieuw proberen zetten. Ook is er wel met de soldeerbout erboven op gedrukt, net of je het gaat persen. Dit heeft ook wel geholpen.

 

In de biels zijn met een 2,5mm boor gaatjes geboord om de draad te fixeren. Het draad is met een boog naar het gaatje geleidt. De draden zijn zo dicht mogelijk bij het draaipunt van de wisseltong gesoldeerd om bij het omzetten van de wissel zo min mogelijk beweging in de draad te krijgenn. De draden worden aan de zijkant van de biels naar buiten gebracht.

Afbeelding 3:

De wissel van bovenaf gezien, de draden zijn zichtbaar maar zitten diep genoeg zodat de wielen er geen last van hebben.

Op deze wijze is een goede stroomvoorziening naar de wisseltongen aangebracht. Hopelijk blijven de soldeerpunten op de lange duur in tact zodat ook in de toekomst een goed rijdende trein gewaarborgd blijft.

 

 

 

 

Kabels over de rail.

Als de rail op tegels ligt dan moeten de wisselaandrijvingen en railsegmenten wel aangesloten worden. De vraag was er: Hoe krijg je op een fatsoenlijke manier de aansluitdraden ter plaatse. Op deze locatie zijn er vier railsegmenten(blokken) en 1 wisselaandrijving, dit geeft in totaal 6 draden die er naar toe geleid moeten worden. Er is gekozen om de draden met Ti-raps in het hart van de biels te fixeren. De draadklos is niet hoger dan de railstaaf, dus de trein heeft er geen last van. Is dit wel het geval dan zijn de wissels ook een probleem. Om de drie bielsen is een ti-rap gebruikt, tijdens het aantrekken de draden strak houden. Voor de ti-raps zijn twee gaten van 2,5mm geboord.

 

 

Kabel in de huisjes.

De huisjes zijn op betonnen platen geplaatst. In deze fundering zijn met 19mm installatiebochten invoerbochten gemaakt. Door deze bochten worden de draden van de baan over een drietal gebouwen verdeeld. In het huis links komt de wisseldecoder (6 wissels), In het station in het midden komen de terugmelders (13 blokken en 2 in een keerlus), in het seinhuis rechts komt de decoder voor de toebehoren (1 armsein en 2 ontkoppelrails). De witte kabeltjes zijn voor de verlichting in de huizen. Die worden in het fabrieksgebouw verzameld om vandaar uit de LED-verlichting met een oplaadbare batterij te voeden. Op het fabrieksgebouw rechts is de zonnecollector net te zien.

 

 

 

De lasdozen met terugmelders worden aangesloten. Digitaal rijden met weinig draad is bijna niet mogelijk maar ook weer niet onmogelijk. Wil je alleen rijden met rijregelaars dan behoeft de baan niet ingedeeld te worden in blokken en zijn de terugmelders niet nodig. Wil je rijden met de computer dan moet de computer weten waar de trein is, dus heb je terugmelders en een blokindeling nodig.

 

 

 

 

Alle terugmelders zijn aangesloten en de bekabeling is afgedekt met een tweede laag worteldoek. Het grind er over en het is een heel ander gezicht. Bij de vorige baan waren twee naastelkaar liggende blokken aangesloten met een drie aderige kabel, dit gaf toch verstoring in de grond (de terugmelders zagen een trein in een vak die daar niet stond, de kabels vervangen door losse draden en het was over). Vandaar dat nu gekozenis voor allemaal losse draden.