De stroomkring

Het ontwerp

Analoog aansturen

Digitaal aansturen

Aansluiten van een stroomkring

Als het vermogen wat een aantal locomotieven vraagt te groot wordt dan wordt de baan opgedeeld in een aantal baanvakken. Een tweede reden, bij analoge banen, is het met meerdere treinen gelijktijdig en onafhankelijk van elkaar kunnen rijden. Bij digitale banen kunnen we sowieso al met meerdere treinen onafhankelijk van elkaar rijden. In het voorbeeld zien we een aantal ovalen in elkaar maar het kan natuurlijk ook over een langgerekte baan gaan. Waar we voor moeten zorgen is dat de vakken elektrisch van elkaar geïsoleerd zijn.  We maken een onderscheid in het opdelen van analoge banen en digitale banen. Let wel dat bij analoge banen alleen de middenleider geïsoleerd behoeft te worden en bij digitale banen alle elektrische verbindingen. We gaan in beide gevallen uit van 1 ontwerp omdat we in feite alleen het principe behandelen.

Het ontwerp.

Het ontwerp is een eenvoudig railovaal met opstelsporen en een rangeergebied. Blauw is de buitenbaan, rood de binnenbaan en het groene gedeelte is het rangeergebied. De gele plaatsen zijn stopplaatsen die geregeld worden door seinen. De lichtgroene plaatsen zijn stopplaatsen die geregeld worden door schakelaars. De baan is getekend op basis van de C-rail en past op een tafel van 275 * 125 cm (stuklijst).

Voor de verdeling van de stroomkringen noemen we het blauwe gedeelte stroomkring-1, het rode gedeelte stroomkring-2 en het groene gedeelte stroomkring-3. Ook gaan we er nog even van uit dat er niet op bovenleiding gereden wordt, deze bovenleiding kan wel aangelegd zijn maar dan niet functioneel.<--

Analoog aansturen.

We hebben 3 stroomkringen. Op stroomkring-1 en stroomkring-2 kunnen twee loks rijden, op stroomkring-3 kan 1 lok het rangeerwerk op zich nemen. Hiervoor hebben we drie transformatoren nodig. Verder zijn er 13 wisselaandrijvingen, 4 ontkoppelrails en 5 seinen te bedienen. Voor de bediening van de wissels, ontkoppelrails en seinen zijn 5 seinplaten benodigd.

Met de linkse transformator is de buitenbaan te besturen. Bij gebruik van twee loks staat één lok stil bij een sein en de andere maakt zijn rondje. Voor de rode baan geldt het zelfde en deze wordt bestuurd door de middelste transformator. Het rangeerwerk wordt door de rechtse transformator overgenomen. Met het schakelbord (onder de seinplaten) kunnen de lichtgroene railstukken stroomloos geschakeld worden. Dit voor het opstellen van een trein (met lokomotief). <--

Digitaal aansturen.

Een digitale baan opdelen is in principe gelijk maar technisch toch weer anders. Bij de digitale baan is er één regelaar die elke locomotief kan aansturen. Bij analoog heeft elk traject zijn eigen regelaar. Om dan toch meer vermogen te krijgen op je baan wordt de baan opgedeeld en elk deel krijgt zijn eigen transformator en booster. De booster is een aparaat die het rij-signaal, afkomstig van de Control-Unit (rij-regelaaar), verwerkt in het vermogenssignaal afkomstig van de transformator. Een radiozender is in principe een vergelijk. In de radiozender wordt een draaggolf opgewekt waar het muziek- en spraaksignaal op wordt gezet. Bij de booster is de spanning afkomstig van de transformator de draaggolf. Op deze draaggolf wordt het rij-signaal, afkomstig van de rijregelaar, geplaatst. In de radio wordt de draaggolf ontvangen en wordt het muziek- en spraaksignaal gefiltert en hoorbaar gemaakt. De locomotief decoder doet hetzelfde. De wisselspanning op de rails is de draaggolf met daarop de stuursignalen. De locomotief wordt afgestemt (adres) op een bepaalde draaggolf en de decoder filtert het signaal afkomstig van de rijregelaar uit de draaggolf. De lokomotief gaat bv rijden. Let wel: in de radio wordt afgestemt op een bepaalde draaggolf en bij de digitale modelbaan wordt gebruik gemaakt van één draaggolf en wordt afgestemt op een adresreeks in het rij-signaal. Bij de radio wordt de draaggolf alleen gebruikt voor het transport, bij de digitale baan wordt de draaggolf ook nog gebruikt voor het elektrisch vermogen om te kunnen rijden.

Dat zijn nog al een aantal aparaten wat je zo nodig hebt. Voor een dergelijk klein baantje heb je dat ook niet echt nodig maar voor grotere banen is dit niet onrealistisch. We zien een Control-Unit (rijregelaar) met transformator, een tweetal boosters met eigen transformator en twee wissel- en seinregelaars. We zien ook dat per baankleur een tweetal draden naar de baan gaan, meer zijn er ook niet nodig. De blauwe kabel is de aansluiting van de rij- en schakelsignalen van de control-unit naar de boosters. De gele draden van de wissels en seinen worden op de wisseldecoders aangesloten. Met een dergelijk klein baantje zal alleen de control-unit gebruikt kunnen worden zodat er maar twee draden naar de gehele baan gaan. Wat bij de grotere banen ook vaak toegepast wordt is dat er een aparte booster (met transformator) gebruikt wordt alleen voor de wissel en sein aansturing. Ook een voordeel van het opdelen met boosters is het volgende. Je krijgt in het groene gedeelte een ontsporing waardoor kortsluiting ontstaat. Door de booster wordt alleen het groene gedeelte stroomloos geschakeld en de resterende trajecten gaan gewoon door. Bij het gebruik van alleen de control-unit staat de gehele baan stil. Bij het aanschaffen van goekopere boosters zien we bij kortsluiting hetzelfde als bij het gebruik van alleen een control-unit. De goedkopere boosters worden vaak aangesloten op de draden die naar de baan gaan. Het stuursignaal wordt gefilterd en van eigen vermogen voorzien. Bij kortsluiting slaat dit terug op de baanaansluiting, dus ook de booster krijgt geen stuursignaal, gevolg alles staat stil. <--

Aansluiten van de stroomkring.

Vaak wordt gebruik gemaakt van een ringleiding. Een ringleiding is een stroomdraad die bij de transformator begint onder het spoortraject doorgaat en waarvan het einde weer op de transformator aangesloten wordt. De spooraansluitingen worden ter plaatse op de ringleiding aangesloten. Bij het gebruik van een ringleiding is het voordeel dat je geen spanningsval hebt tot het einde van de draad (er is immers geen einde). Gaan we vanuit de transformator draden leggen naar diverse aansluitpunten dan kan in de draad een spanningsval ontstaan. De spanningsval kan leiden tot verschillende rijsnelheden van de treinen. Als vuistregel wordt aangenomen dat je om de twee a drie meter spoor een aansluiting maakt. Als voorbeeld geven we bovenstaande baan met 1 ringleiding en 1 transformator. Ook de voedingsleidingen van de seinen worden op de stroomkring aangesloten.  Bij de digitalebaan worden de decoders ook op de ringleiding aangesloten.

<--