Treindetectie met C-rail en Wisselstandbewaking.

 

Als er gezien moet worden of er een trein of wagon op een spoor staat kan dat uitgevoerd worden met een ge´soleerde railstaaf. Daar de wielen van metaal zijn functioneren deze als schakelaar, makkelijker kunnen wij het niet maken.

 

 

 

 

 

 

 

Bij Mńrklin zijn normaal de beide railstaven doorverbonden. Bij de M-rail door de metalen bedding, bij de C-rail door een brugje aan de onderkant (zie H0-spoor - C-rail). Voor treindetectie kan een ge´soleerde spoorstaaf een uitkomst zijn. Het principe is eenvoudig: De spoorstaaf is ge´soleerd en verbonden aan een lampje (of LED). Staat er geen trein (Lok of wagonnetje) op de betreffende rail dan is er geen gesloten stroomkring en zal de lamp niet branden. Komt er een trein op de betreffende rail dan functioneert de wiel als schakelaar en gaat de lamp branden, immers er is een gesloten stroomcircuit. Zo makkelijk is het.

Bij de M-rail is dit wat lastiger om dit met bestaande rechte of gebogen rails uit te voeren. Wel zijn er contactrails te verkrijgen (5115), bij deze rails is 1 spoorstaaf ge´soleerd op de metalen railbedding gemonteerd. Deze rail wordt ook gebruikt voor de verlenging van het overwegtraject.

Bij de C-rail is dit wat eenvoudiger, bij de C-rail zijn de staven aan weerskanten van de rail met een brugje met elkaar verbonden. Door dit brugje door te knippen of met een Dremel door te slijpen zijn beide staven van elkaar ge´soleerd. Wel even controleren voor het plaatsen, anders kun je zoeken waarom iets niet wil. Door het begin en het eind van het traject met de isolatiehulsjes te isoleren heb je een ge´soleerd deel waarop bezetmelding kan worden uitgevoerd (zie ook hoofdstuk H0-spoor - C-Rail).

Bij aanvang en op het eind van het detectietraject moeten er isolatiesokken 74030 over ÚÚn van de staafverbindingen geschoven worden. Let wel dat deze aan dezelfde kant komen anders heb je geen ge´soleerde spoorstaaf.

Bij alle tussen liggende rails moeten de verbindingsbruggen weggeslepen worden. Volgens de foto is het detectietraject aan de rechterkant.

 

 

Op de afbeelding is te zien dat de sok 74030 over de verbinding van de rail is geschoven.

4 sokken per verpakking.

 

 

 

 

Van elke tussenliggende rails moet beide verbindingsbruggen doorgeslepen worden. Het maakt dan niet meer uit hoe de rail geplaatst wordt.

Het lipje wat doorgeslepen / geknipt moet worden om beide spoorstaven elektrisch te isoleren. Dit moet aan beide kanten van de rail gebeuren anders blijven de spoorstaven elektrisch aan elkaar gekoppeld.

 

 

 

 

Tussenliggende verbinding.

Nogmaals aangegeven dat beide bruggen weggeslepen moeten worden. Op de ge´soleerde staaf kan een lampje aangesoldeerd worden. Het lampje geeft aan of  het spoor bezet is. Het maakt niet uit of er een lok staat of dat er een karretje verloren is, de lamp brand. EÚn lamp per detectiegebied/sectie is voldoende.

Bij digitale banen wordt deze draad een de bezetmelder gemonteerd.

 

 

 

 

Een detectiegebied valt op te splitsen in meerdere secties. Bv de trein rijdt het station binnen, de trein is bijna op het eind dus afremmen en de trein is waar hij stoppen moet. De trein staat stil en het traject kan afgeschakeld worden. Ook zou je op het eind een stopsectie kunnen maken door de middenrail te isoleren.

Gaan we het detectie gebied opsplitsen dan wordt wederom een isolatiesok 74030 over de verbinding geschoven Op de plaats van de rode cirkel). We verbinden de spoorstaaf in dit gebied met de tweede lamp en er wordt aangegeven op welk deel de trein aanwezig is. Voor de uitbreiding naar drie lampen wordt dezelfde truc toegepast. De lengte van het traject voor bijna stoppen kan 1 rail zijn.

Bij digitale banen wordt een stationspoor vaak opgesplitst in twee of drie secties, inrijden, afremmen, stoppen.

 

 

Wisselstand bewaking.

Als op afstand gezien wil worden hoe de wisselstand is kan dit aangegeven worden met twee lampjes/LED's. Hiervoor is wel een hulpmiddel nodig, in dit voorbeeld het universele relais 7245. Dit relais wordt parallel aan de wissel gezet.

Principe van spoorindicatie.

Om te zien naar welk spoor de wissel staat, bv in het schaduwstation, kan gebruik gemaakt worden van lampjes en het universele relais 7245 (7244). Het lampje kan ook een LED op het schakelpaneel zijn (met voorschakelweerstand 1k5). Gelijkertijd met de wissel schakeld het universele relais mee om. De wisselschakelaar in het relais bepaald de keuze van de lampjes (LED'S op het schakelpaneel. Ook zijn de verdeelplaten 7209 in het schema opgenomen, je kan de draadjes ook gewoon aan elkaar doorverbinden.